Jan Houkes
Jan Houkes gaf gehoor aan de oproep voor de Arbeitseinsatz. Hij was een van de ongeveer 30.000 mannen die het niet overleefden.
Jeugd en gezin
Jan Houkes werd geboren op 20 augustus 1920. Hij was het tweede kind van Luitzen Houkes en Geertje Rispens. Zij woonden met hun twaalf kinderen en sinds 1937 met opa Wijbe Houkes in een klein huis ‘achter op de Meesterswieke’ – de Meesterswijk in Boven-Smilde.
Opa Wijbe Houkes was in 1906 of 1907 vanuit Haulerwijk met zijn gezin naar Smilde vertrokken om daar te werken in het veen. Andere familieleden en kennissen uit Haulerwijk waren hem al voorgegaan. Jan en zijn oudste broer Wijbe hielpen al vanaf jonge leeftijd hun vader Luitzen en opa Wijbe met het turfsteken. Na de lagere school gingen beide jongens zelf ook werken als veenarbeider.
Het was een zwaar bestaan: hard werken voor weinig loon en heel wat monden te voeden. Bij huis hadden Luitzen en Geertje daarom een grote groententuin gemaakt en voor melk hielden ze een geit in een hok. Voor wat extra vlees ging Luitzen regelmatig stropen en nam hij haas, fazant, eend, duif en af en toe een ree mee naar huis.[1]
Luitzen en Geertje gingen in Boven-Smilde naar de Gereformeerde Kerk. Al hun twaalf kinderen werden hier gedoopt. De oudere kinderen waren lid van de Gereformeerde Jongelingsvereniging.
Op enig moment leerde Jan een leuk meisje kennen. Gerritje Daling. Ze werden verliefd en besloten zich te verloven.
[1] De lokale veldwachter was er dan ook op gebrand hem op heterdaad te betrappen. Na de oorlog kreeg Luitzen een jachtakte.
Meesterswijk A62
Gerritje en Jan
Arbeitseinsatz
In de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog ging het leven gewoon door. Maar in december 1942 kregen alle burgemeesters in Nederland het verzoek de namen en adressen aan te leveren van alle mannen die tussen 1918 en 1922 waren geboren. Omdat veel burgemeesters dit weigerden, publiceerden de Duitsers vervolgens oproepen in de krant en aanplakbiljetten op straat. Hier stond in welke jaarklassen zich moesten melden voor de ‘Arbeitseinsatz’.[2]
Jan en zijn broer Wijbe kregen een oproep thuis. Wijbe gooide die van hem in de kachel.[3] Jan ging naar het arbeidsbureau in Meppel, werd goedgekeurd en vertrok naar Duitsland. Details zijn onbekend.
In 1944 mocht Jan met verlof. Terug naar Boven-Smilde. Wat zijn motivatie ook was geweest om naar Duitsland te gaan, avontuur of het ontvluchten van armoede – of beide, van deze motivatie was nu niets meer over. Hij wilde niet terug. Het verzet in Smilde zorgde daarom voor onderduikadressen.
Het lijkt er alleen op, dat Jan weinig geduld had. Hij liep weg van zijn onderduikadres en trok begin juli 1944 weer bij zijn ouders in.
Donderdag 6 juli was een aangename zomerdag[4]. Jan speelde aan het begin van de avond met zijn broers Roelof (18), Tom (16) en Henk (12) nog even in de tuin. Ze zaten elkaar achterna met water. Later op de avond stond er een groep NSB’ers voor deur. Achteraf bleek dat de buren hem hadden aangegeven. Jan was boven met zijn broers en zij probeerden Jan te verstoppen achter een matras. De NSB’ers doorzochten het kleine huis. Op enig moment richtte iemand een pistool op moeder Geertje en vader Luitzen zwichtte. Hij riep naar boven:
“Jan, kom er maar uut mien jong’, want ze vinden je toch.”
[2] Krimp-Schaven, Tewerkgesteld, 46-47.
[3] Hij is nooit opnieuw opgeroepen en later ook niet opgepakt. Hij heeft zich gemeld bij het verzet in Smilde, maar de voorman daar raadde hem af erbij te gaan. Hij had inmiddels een vrouw en dochtertje en teveel te verliezen.
[4] https://weerverleden.nl/19440706-280&all
Terug naar Duitsland
Jan werd meegenomen en naar Kamp Amersfoort gestuurd. Dit was het centrale punt voor het verzamelen en doorvoeren van mannen die de Arbeitseinsatz wilden ontduiken of die via razzia’s waren opgepakt. De wreedheden van kampbewaker Joseph Kotalla waren berucht. En de omstandigheden in Kamp Amersfoort waren erbarmelijk. Een paar weken voor de komst van Jan was het een paar dames[5] echter gelukt de voedselvoorziening en leefomstandigheden iets te verbeteren. Op 30 juni 1944 brachten de eerste vrachtwagens voedsel en medicijnen naar het kamp.
Ergens in augustus werd Jan vanuit Amersfoort op transport gesteld naar Duitsland. Gezien de plek waar hij zou overlijden, kwam hij hoogstwaarschijnlijk ten oosten van het Ruhrgebied terecht (Neuengamme?). Na de bevrijding ging hij op weg naar Nederland.
Op 17 mei 1945 overleed Jan in het ziekenhuis in Wimbern, een plaats ten oosten van Dortmund.
[5] https://nl.wikipedia.org/wiki/Kamp_Amersfoort
Na de oorlog
Niemand wist hoe het met Jan was. Zou hij nog terugkomen? Zijn ouders hadden wel gehoord dat hij ‘wegens zwakte’ was achtergebleven en vermoedelijk was opgenomen in een ziekenhuis. Op 3 juli 1945 publiceerde de Provinciale Drentsche en Asser Courant een advertentie van vader Luitzen. “Wie kan inlichtingen verstrekken over Jan Houkes, geboren 20-08-’20.”
Het Rode Kruis kon dat. Vreemd genoeg werden de brieven van het Rode Kruis pas in 1987 ongeopend gevonden in de kast, nadat Geertje Rispens was overleden. Zij heeft nooit zeker geweten dat haar zoon in Duitsland was gestorven en begraven. Zoon Henk herinnert zich hoe ze nog jarenlang elke avond uit het zijraam keek om te zien of Jan eraan kwam. Even verderop deed haar schoonzus hetzelfde. Met het verschil dat haar zoon, Jelle Rispens, op een dag wél de wijk op kwam lopen.
In de jaren zestig en zeventig vond Wijbe zelf antwoorden. Eerst had hij toevallig iemand ontmoet, die vertelde dat hij in het voorjaar van 1945 een Jan Houkes was tegengekomen in Duitsland. Hij vertelde, dat Jan verzwakt was, ook geestelijk, door alle ontberingen. Dat hij uitgehongerd en in slechte conditie op weg ging naar huis. En dat ze hem in een ziekenhuis hadden achtergelaten. Wijbe’s dochter herinnert zich hoe aangedaan haar vader die dag thuiskwam uit zijn werk. Later ging Wijbe naar het gemeentehuis in Smilde om verdere inlichtingen te vragen. Daar hoorde hij waar en wanneer Jan was overleden en waar hij was begraven. Pas na de dood van zijn moeder reisde hij met zijn vrouw Janny, zus Gé en zwager Piet Schoon naar het Nederlands ereveld in Düsseldorf om het graf van Jan te bezoeken.
Provinciale Drentsche en Asser courant
03-07-1945
Wijbe Houkes op het Nederlands ereveld in Düsseldorf. Vermoedelijk 1987 of 1988.
Gerritje
Gerritje Daling bleef nog een paar jaar trouw de moeder van haar verloofde bezoeken. Later leerde ze Jan Klok kennen met wie ze trouwde en een gezin stichtte.
Nawoord
Mijn vader ervaarde in het huis van zijn grootouders altijd een soort triestheid. Ook al wist hij niet wat er gebeurd was. Zoals mijn oom Jan het verwoordde op de website van de Nederlandse Oorlogsgravenstichting: ‘De wijze waarop zijn [Jans] arrestatie plaatsvond, heeft diepe wonden geslagen in zijn gezin. Wonden die nooit zijn geheeld.’ Het verraad van de buren, het verdriet van oma, de onmacht van opa, het hakte er flink in.
Het blijft gissen waarom ‘ouwe opa en oma Houkes’, zoals wij ze noemden, nooit de brieven van het Rode Kruis hebben geopend. Of had opa het wel gedaan en niet aan oma verteld? Omdat het niet openen van zo’n brief juist een deur openhield naar de mogelijkheid dat het anders kon zijn gelopen? Of omdat het niet zeker weten dat Jan dood was, minder pijn zou doen, dan moeten rouwen om zijn overlijden? Waarschijnlijk is het tegenovergestelde effect bereikt. Ik hoop met dit verhaal Jan weer de aandacht te geven die hij verdiende, die zijn broers en zussen verdienden in het missen van hem. En mijn overgrootouders toch nog iets van troost te bieden – hoe vreemd dat ook kan klinken.
Dank aan mijn oud-oom Henk Houkes in Amerika, mijn tante Gé (Geertje), oom Herman, oom Jan, vader Luuk (Luitzen) en moeder Geeske Houkes voor het delen van hun herinneringen, het speurwerk naar foto’s en de achternaam van Gerritje.
Annemarie Houkes
Leusden, 30 oktober 2024.





