Gerrit Keen
'Laat een ander je nooit de mond snoeren'
In de eerste fase van de Arbeitseinsatz, van de zomer van 1940 tot de lente van 1942, werden Nederlandse werklozen verplicht om in Duitsland te werken. Er bestond een bestaande praktijk vanaf de herfst van 1939, waarbij werklozen uit de grensstreek moesten werken in Duitsland om hun uitkering niet te verliezen. Grensgangers werden zij genoemd. In Nederland was geen werk en toch moest er brood op de plank komen. Gerrit Keen uit Dalen liet het er niet op aankomen en vond in 1941 vrijwillig werk in Emlicheim. Zijn werkgever, Anton Meijer, was een aannemer die anti-Hitler was.
Jeugd en gezin
Gerrit Keen is in1906 geboren aan de Eldijk in Dalen. Hij was de vierde zoon van Harm Keen en Geertruida Roeles (beiden van 1875). De familie Keen was een warme, zorgzame boerenfamilie.
Na de lagere school ging Gerrit als leerling werken in de timmerwinkel van Reinder Habing. In 1924 ontving hij zijn getuigschrift en ging zelfstandig werken. In 1932 trouwde hij met Grietje Wassen (1908). Ze gingen wonen in een door Gerrit zelf gebouwde woning – ook aan de Eldijk, nr. 9 (nu nr. 16). Gerrit en Grietje kregen drie kinderen: Geesje (1933) en de tweeling Harm en Albertus (1938).
In de crisisjaren werkte Gerrit vaak ver van huis. In 1935 werd hij ingezet bij grote waterbouwkundige werken, zoals de bruggen en de sluis van het toen gegraven kanaal Coevorden-Zwinderen op de Vossebelt. Latere jaren ging hij, om zijn gezin te onderhouden, op de fiets naar Emmercompascuum en zelfs naar Valthermond. Gerrit werkte daar als timmerman/metselaar en drie van zijn broers, Hendrik, Harm en Geert als rietdekkers.
Gerrit met twee geiten na een keuring. Rond 1937.
Grietje en Gerrit
Getuigschrift
De ambachtslieden van de familie Keen: timmerlieden en rietdekkers.
Dalen in de oorlog
Het was eind dertiger jaren voor velen een zware en onzekere periode. Opkomend fascisme, Jodenhaat en een dreigende oorlog maakten, dat je ook in Dalen niet iedereen meer kon vertrouwen. Er was veel ellende, werkloosheid en armoede. Gerrit Keen, overtuigd sociaaldemocraat, maakte zich dan ook al vroeg grote zorgen. Ook toen de oorloog eenmaal was begonnen en Nederland bezet was, sprak hij dat uit voor wie het maar horen wilde. Hij uitte zijn ongenoegen niet alleen vanwege de bezetter, maar ook over de samenwerking van NSB’ers en Landwachters met de bezetter en de wijze waarop leden en sympathisanten van de vereniging Landbouw en Maatschappij zich in het openbaar opstelden. (Deze vereniging ging in 1940 op in het Nederlandsch Agrarisch Front, een mantelorganisatie van de NSB.)
Timmerman Keen kon goed opschieten met huisschilder Hartog Zilverberg. De familie Zilverberg werd in het dorp gerespecteerd en was één van de vijf Joodse gezinnen die in Dalen woonden. Zij waren daar al decennia geïntegreerd. De eerste oorlogsjaren verliepen voor hen min of meer normaal. Zelfs van de plaatselijke NSB’ers hadden ze in de begintijd weinig te vrezen. Burgemeester Hans ten Holte was goed bevriend met Hartog Zilverberg. Hij weigerde in het dorp de bordjes met daarop ‘verboden voor joden’ op te hangen. Op het verplichte sterdragen door Joden had Van Holte echter geen invloed.
Hoewel Keen en anderen de Joodse families adviseerden om onder te duiken, bleven ze – in het vertrouwen ‘Het zal zo’n vaart niet lopen’, aldus Zilverberg. Maar in de nacht van 2 op 3 oktober 1942 scheurden de wagens van de Grüne Polizei door het dorp. Ze wisten de Joodse families feilloos te vinden en bijna allemaal werden ze opgepakt. Eva Bierman-Nijveen, David, Simon en Izaäk Boerman, Frouwke Bierman-Bollegraaf, Jonas, Henderina, Eva en Isaac Bierman, Suzanne Zilverberg-ten Brink, Betje, Hartog en Jacob Zilverberg. Ze werden afgevoerd naar Kamp Westerbork. Hartog, die bij zijn arrestatie al ziek was, overleed daar ruim een maand later. Slechts drie Joden uit Dalen hebben, door onder te duiken, de oorlog overleefd. David en Jet Bierman verbleven ergens tussen Sleen en Zweeloo. Suze Zilverberg, dochter van Hartog, wist in Assen aan de Duitsers te ontkomen. Uiteraard was een grote, zwijgende meerderheid van de toenmalige inwoners tegen die deportaties, maar verzet daartegen was minimaal.
Gevangen
Hoofdonderwijzer Jan van Delden, smid Bernardus Naber en Gerrit Keen vonden het tijd voor actie. Er volgde een geheime bijeenkomst in het veld met meer inwoners van Dalen. Onderwerp: hoe kunnen we weerstand bieden aan de bezetter? Tot concrete acties kwam het nog niet. Het tegenovergestelde gebeurde: een Duits-gezinde inwoner van Dalen, die ook bij de bijeenkomst aanwezig was geweest, verraadde een aantal aanwezigen. Gerrit werd aangegeven bij de in Dalen gevestigde Grüne Polizei (villa van de Munck Keizer in de Bente). En in mei 1943 werd Gerrit op zijn werkplek in Emlicheim gearresteerd door de Geheime Staats Polizei (Gestapo) en
In Osnabrück is Gerrit zes weken lang streng verhoord door de Gestapo. Zijn familie hoorde niets. Een paar weken later kwam een langverwacht levensteken. Een brief. Gerrit vroeg om levensmiddelen. Grietje stuurde ze op. Deels via de familie Meijer in Emlichheim , deels rechtstreeks. Spek en brood. In het brood zat een Puroldoosje (farmaceutisch product) verstopt, met daarin een briefje. Daarna hoorden de achterblijvers niets meer. Die tergende stilte zou twee jaar duren.
Na drie maanden Osnabrück werd Gerrit Keen veroordeeld tot deportatie naar de Gestapo gevangenis Alexander Platz, Berlijn. Daar werd zijn vonnis uitgesproken: ‘K wurde festgenommen (…) weil er durch sein Gesamtverhalten eine deutschfeindliche und SS-feindliche Gesinnung gezeigt hat.’ Vervolgens werd Gerrit op 2 september 1943 werd als politiek gevangene overgebracht naar concentratiekamp Sachsenhausen. Vanaf dat moment was er geen contact meer.
Sachsenhausen en dodenmarsen
Het leven in concentratiekamp Sachsenhausen in de Duitse stad Oranienburg was loodzwaar. Het ‘modelkamp’ van de nazi’s herbergde in ruim acht jaar tijd 200.000 gevangenen. De huisvesting was abominabel, de barakken onverwarmd, slecht eten, slechte hygiëne. Vanaf 1944 heerste honger in het overvolle kamp. Dagelijks moesten de gevangenen opdraven voor urenlange appels. Wie het niet volhield, werd nog dezelfde dag vermoord. De gevangenen moesten gedwongen toekijken hoe hun medegevangenen voor hun ogen werden opgehangen. Dit om de schrik en angst er in te houden. Vanaf het voorjaar van 1945 werd het leven in Sachsenhausen een nog grotere hel. Gerrit Keen heeft ternauwernood en met veel pijn en moeite kunnen overleven.
Toen de Russen dichterbij kwamen, moest het kamp leeg. Om alle sporen van de massamoord te vernietigen wilden de Duitsers de overgebleven gevangenen inschepen om vervolgens het schip te laten zinken in de Oostzee. Al die plannen bleken niet uitvoerbaar toen de Russen voor de rivier de Oder stonden. Duitse bewakers werden nerveus en begonnen de zwakste gevangenen met de in Sachsenhausen ontwikkelde nekschotmachine te vermoorden. Op 22 april besloot de SS de 30.000 gevangenen die nog konden lopen in groepen van 500 naar het noordwesten te laten marcheren, onder wie Gerrit Keen. De Todesmarsch, onder toezicht van een beulachtig SS-regime vanuit het kamp, was begonnen. Per dag liepen ze 20 tot 40 kilometer. Met het eten van gras, paardenbloemen en boomschors wisten de gevangenen zich in leven te houden. Wie probeerde te vluchten, werd door SS’ers neergeschoten. Wie ziek was, stierf onderweg. Na bijna twee weken kwam de gehalveerde groep aan in het Noord-Duitse Schwerin.
Toen de Russen ook hier dichterbij kwamen, namen de Duitse bewakers de vlucht. Het was 5 mei en Gerrit Keen was weer vrij. De terugkeer naar huis duurde daarna nog ruim twee weken.
Moeder Grietje Keen, zus Geesje en de tweeling Bertus en Harm in de tuin van kruidenier Seubring in augustus 1944. Vader was toen nog in gevangenschap in nazi-Duitsland. Foto is opgestuurd naar Osnabrück. Niet bekend of het aangekomen is.
Gevangenen voor de poort van concentratiekamp Sachsenhausen.
Verslagen van een medische keuring door de geallieerden.
Weer thuis
De afstand van Schwerin naar Dalen heeft Gerrit Keen, sterk vermagerd en mentaal aan de grond, grotendeels lopend afgelegd. Ook deels via georganiseerd transport (Rode Kruis) en vanaf de grens meeliftend met Poolse militairen. Op de zaterdag voor Pinksteren, het was 19 mei 1945, kwam een zoon van meester Otterman uit Wachtum[1] naar Dalen met een hoopvol bericht: ‘Griet, ze hebben je man gezien op een transport in Duitsland!’ Het zou nog twee dagen duren voor Gerrit thuis was. Lopend vanaf Hoogeveen kwam hij een familielid tegen, die hem zijn fiets aanbood. En zo kwam hij op 21 mei 1945 uit de richting van Wachtum aanfietsen. De kinderen, de 9-jarige Geesje en de 7-jarige tweeling Harm en Bertus kenden hem (bijna) niet meer.
Na een paar weken thuis kwam dominee Rensink op bezoek. ‘Gerrit, kom je weer in de kerk?’ ‘Nee, daar ben ik nog niet aan toe,’ zei Gerrit. Hij is daarna ook nooit meer gegaan. Grietje en de kinderen wel. Het duurde een hele tijd voordat zij en Bertus weer aan elkaar gewend waren. Praten over de oorlog wilde Gerrit Keen niet. ‘Vader had zo’n opdoffer gehad, psychisch was hij er slecht aan toe’. De bevrijding was dan wel een feit, maar niemand wilde terugkijken. Er was weinig aandacht voor de terugkomers.
Ook Anton Meijer uit Emlicheim kwam na de bevrijding informeren hoe het met Gerrit was. Het contact met de Duitse familie is na de oorlog hernieuwd en altijd goed gebleven.
Omdat Gerrit zo verzwakt was, duurde het nog maanden, voordat hij weer aan het werk kon als timmerman. Het was helaas van korte duur, want zijn lichaam bleef zwakker dan voorheen. Gelukkig heeft hij toen als controleur voor landbouwgewassen werk gekregen bij het ministerie van landbouw. Hij was daar werkzaam tot zijn overlijden in 1969, 63 jaar oud.
[1] Beide zoons van meester Otterman zaten in het verzet, één ervan kwam aan het einde van de oorlog om het leven.
Lessen voor het leven
In 2015 hebben Harm en Bertus Keen het verhaal van hun vader in Duitsland op papier gezet. Dit deden ze pas na het overlijden van hun moeder en oudere zus Geesje. ‘Het oprakelen zou ze zeer doen. Ook voor ons is het pijnlijk, maar we willen niet zwijgen. Met ons appel doen wij een moreel appel op iedereen.’ Het authentieke verslag van Harm en Bertus uit 2015 is een belangrijke bron voor dit verslag. Het is niet alleen een feitelijk verslag, maar tussen de regels door ook een wijze les voor het leven.
Eén keer vertelde vader zijn kinderen over de oorlog. De tweeling was 17 en moest bijna in dienst.
‘Jongens. Eén ding: je hoeft de Duitsers niet te haten. Je moet wat er gebeurt niet altijd over je kant laten gaan. Je kan twee dingen doen. Weglopen of het de kop indrukken. Laat een ander je nooit de mond snoeren, kom op voor de zwakkeren en wees oprecht en eerlijk en loop nooit weg voor de waarheid.’
Dit verhaal is opgetekend door Jan Bartelds. De nu (2025) bijna 87-jarige tweeling Harm en Bertus Keen dragen het op aan hun vader, moeder en hun zuster Geesje Renting-Keen (overleden 24-8-1996).
Onze ouders hebben de oorlog en de jaren daarna grotendeels verzwegen om verder te kunnen. Maar wij, de intussen oude tweede generatie, mogen ons niet meer stilhouden. Dit persoonlijke verhaal van onze ouders maakt deel uit van een dramatische periode in de wereldgeschiedenis en moet daarom verteld worden. Zij kunnen het niet meer, wij nog wel.







